Verhalen en gedichten

Tien jaar geleden werkte ik mee aan een verhalenbundel over 21 december 2012. Een onheilspellende datum: die dag zou namelijk de wereld vergaan volgens een voorspelling van de Maya’s. Mijn verhaal Winterzonnewende ging ook over die datum en speelde zich af op Schiermonnikoog. De bundel is inmiddels al lang niet meer verkrijgbaar, maar het verhaal heb ik nog wel. En juist vandaag, op 21 december 2022, terwijl ik op Schier zit te werken aan Zonderland, is de perfecte dag om dat verhaal te delen. Veel leesplezier alvast!

Winterzonnewende

Een venijnige zeewind rukt aan mijn winterjas en blaast mijn haar voor mijn gezicht. Ik strijk een lok achter mijn oor onder de gevoerde capuchon, maar weet dat het niet zal helpen. Eigenlijk zou ik handschoenen moeten aantrekken, want mijn vingers zien knalrood van de kou. Zo rood als haar jas, die middag in de rechtszaal.

Het Wad ligt erbij als een doorweekte dweil. In de verte tonen witte koppen op de golven de kracht van de windstoten. De doordringende geur van zout, zilt en zee doet me denken aan de oesters die we hier vroeger vaak zochten, op mooie heldere zomerdagen toen alles nog normaal was. Oesters. Die eet hij nu vast met haar.

Ik merk pas hoe hard ik in de reling knijp als mijn vingers pijn beginnen te doen. De contouren van Schiermonnikoog zijn verborgen achter de regenvlagen die het Wad teisteren. Het is alsof we naar het einde van de wereld varen en straks in één keer over de rand zullen vallen, de duisternis tegemoet. Eén voet heb ik al op de reling staan. Als ik snel ben, klim ik er zo overheen, het kolkende groene water tegemoet. Wie houdt me tegen? Ik stel me voor hoe de donkere golven me verwelkomen en meezuigen naar de zanderige bodem waar ik me kan neervlijen tussen de kokkels en de mosselbanken.

Er trilt iets in mijn broekzak. Telefoon. Bijna laat ik het mobieltje uit mijn verdoofde vingers glijden. Janneke, zie ik. Ik druk haar oproep weg. Ik kan haar hier in de gierende storm toch niet verstaan. “Nee, ik ga niet met je mee naar Schier, ik heb een feest,” zei ze toen ik haar een paar dagen geleden belde. “Doe toch niet altijd zo afhankelijk. Kom nou eindelijk eens voor jezelf op. Geen wonder dat papa is weggegaan. Ik heb hier geen zin in. Sorry mam, get a life.”

Ik wil die woorden niet horen. Wil niet erkennen dat ze me niet meer nodig heeft. Dat ze genoeg heeft van mijn verstikkende omhelzing, zoals hij zegt. Ik moet haar loslaten en voor mezelf kiezen. Waarom? Wat moet ik dan doen? Ik stop het mobieltje terug in mijn zak en worstel tegen de windvlagen in naar de salon.

In de deuropening slaat een benauwde warmte me tegemoet. Een doordringende stank van natte jassen en verschaald bier wordt me bijna te veel. Ik dwing mezelf op zoek te gaan naar een zitplaats. Gemakkelijk is anders: passagiers zitten zelfs in de gangpaden op hun bagage tussen onrustige honden en jammerende peuters. Er is bijna geen doorkomen aan. Helemaal achterin vind ik een bank waar ik nog net op pas. Vijf vrouwen knikken me toe en zetten hun gesprek voort.

Balancerend op het randje van de bank bekijk ik mijn medepassagiers. Niet het type Schiergangers dat ik gewend ben. Veel jonge mensen, dure, opzichtige kleding. Grote groepen jongeren die zomers de camping bevolken met kratten pils en veel lawaai. Waarom willen er uitgerekend vandaag zoveel mensen naar Schiermonnikoog? Het is net zo druk als op een zonnige zomerdag.

Wat voor dag is het eigenlijk vandaag? Ik tel de afgelopen dagen af. Maandag was de zitting, dinsdag en woensdag zijn ongemerkt aan me voorbijgegaan. Gistermorgen werd ik tussen de sherryflessen wakker van de verhuizers die om me heen het huis leeghaalden. Janneke was er ook. Ze zette me onder de douche en blaatte over onverantwoordelijk gedrag en aanstellerij. Ik ben tegen haar uitgevallen, heb haar weggestuurd. Zou ze me daarom bellen? Om van mij te horen dat het me spijt? Ik pak mijn mobiel en zie dat ik een sms’je heb. Janneke. “Mam, bel me alsjeblieft”, staat er. Later misschien.

Vandaag is het dus vrijdag de 21ste, vlak voor kerst en mensen willen blijkbaar massaal de feestdagen op Schier doorbrengen. Feestelijk is de sfeer bepaald niet. Echtparen om me heen maken ruzie, honden vliegen elkaar aan en ik hoor overal gemopper. Dan zie ik een meisje terugkomen van het dek. Ze trekt haar jas uit. Eronder draagt ze een knalroze trui met de tekst: 21-12-12 Big Bang Revisted! Het einde van de wereld, schiet door mijn hoofd. Ik weet het weer. Zijdelings heb ik de verhalen in de kranten wel gezien. Volgens de Maya’s vergaat de wereld vandaag. Wat mij betreft hadden ze het niet beter kunnen plannen. Welja, het einde van de wereld kan er ook nog wel bij. Die van mij is toch al vergaan.

Over de hoofden van de passagiers zie ik de minister-president op het tv-scherm verschijnen. Zijn anders zo jolige gezicht staat somber. Dan beelden van een brand in een grote stad, een menigte jongeren die ruiten ingooien. Plunderaars in Utrecht staat er in de balk onder de brandende winkelpuien. Maar daar woont Janneke! Ik grijp mijn mobiel en toets haar nummer, maar ik heb geen mijn bereik meer. Ik voel mijn hart bonzen en het wordt zwart voor mijn ogen.

“Gaat het een beetje, lieverd?” De vrouw naast me slaat een arm om me heen en strijkt over mijn rug. “Rustig maar, adem in, adem uit.” Een andere vrouw reikt me een bekertje aan dat ik snel leegdrink. Een warme gloed verwarmt mijn buik. “Warme mede, schat, overal goed voor,” zegt de roodharige vrouw tegenover me, terwijl ze een oranje thermosfles afsluit. “Gaat het?”

Ik knik om van het gezeur af te zijn.

“Luister, je moet niet geloven wat al die gekken op tv roepen over het einde van de wereld,” gaat mijn overbuurvrouw verder. “Dat is allemaal onzin. Mensen zijn niet meer in contact met de aarde, met de moedergodin. En dan krijg je paniek. Maar het komt allemaal goed, let maar op.”

Ze bedoelt het goed, maar wat heb ik eraan? Ik bijt op mijn lip en draai haar de rug toe. Ik wil met niemand praten. Niet met Janneke, niet met deze vreemde vrouwen. Ik wil helemaal niets. Daarom ga ik naar Schiermonnikoog, de enige plek waar ik niets hoef, alleen maar ben.

De bussen naar het dorp zijn zo vol dat ik besluit te lopen. Eindelijk rust. De wind beneemt me bijna de adem, maar dat kan me niets schelen. Het begint te hagelen. Ik trek de capuchon over mijn hoofd en denk aan niets.

Als ik druipnat de gelagkamer van het oude hotel binnenloop, is het er al net zo druk als op de boot. Even aarzel ik, maar ik heb het te koud om weer naar buiten te gaan. Alle stoelen, wat heet, alle tafeltjes zijn bezet. Er zitten zelfs mensen op het heilige biljart. Ik zie een ober pogingen doen mensen over te halen eraf te gaan, maar ze lachen hem in zijn gezicht uit. Dit soort gedrag ben ik helemaal niet gewend hier. Ik kom juist naar Schiermonnikoog omdat het er altijd zo vertrouwd en gewoon is. Een gezette ober in een onberispelijk zwart pak duikt voor me op en lijkt me te herkennen van al die keren dat ik bij hem op het terras koffie met appelgebak heb besteld.

“Sorry, het is erg druk vandaag, maar u mag wel even in de lounge gaan zitten. Koffie?”

Hij gaat me voor naar de ruimte naast de gelagkamer waar roodfluwelen fauteuils staan. Alle stoelen zijn bezet. Een groep kinderen zit op de houten vloer een spelletje te doen. Ik loop door de ruimte heen totdat ik de tafel zie waaraan de vijf vrouwen van de boot zijn neergestreken. Nu pas valt me op hoe excentriek ze eruitzien. Lange haren, ingevlochten met kleurige kralen, rinkelende sieraden en lange jurken. Over het lawaai van de kinderen heen hoor ik het gerinkel van de belletjes die ze dragen. Ze hebben wierook aangestoken, ruik ik.

De roodharige vrouw ziet me als eerste en biedt me haar stoel aan. “Ga zitten, kom erbij,” zegt ze. “Je ziet er moe uit. En vreselijk nat. Dit kan geen toeval zijn! Ik ben Sylvie, hogepriesteres van dit zooitje ongeregeld.”

“Sylvie, zoiets zeg je niet,” roept een vrouw met grijs haar en een grasgroene cape. “Hallo, ik ben Leonore. Wat fijn dat je er bent. We hebben namelijk een probleem.”

“Leo, laat haar even tot zichzelf komen voor je haar inlijft, wil je.”

Sylvie schudt met haar hoofd zodat haar rode krullen alle kanten op springen.

“Hallo, ik ben Britta van …, sorry Bunders,” zeg ik.

“Net gescheiden zeker?” tettert Leonore, “Ach schat, dan ben je in goed gezelschap. Wij zijn een heksenkring en vannacht vieren we op het strand de winterzonnewende.”

Veelbetekenend kijkt ze Sylvie aan die ondeugend knipoogt. Eén voor één stellen de vrouwen zich aan me voor. Ik hoor nauwelijks wat ze zeggen. Heksen? Het liefst loop ik de zaak weer uit, maar voordat ik de vrouwen kan afwimpelen, krijg ik van de ober een kop koffie in de handen gedrukt. Met een bonbon, zoals dat hier hoort. Ik sluit mijn ogen en drink met kleine slokjes. Om me heen hoor ik de vrouwen zachtjes overleggen.

Mijn aandacht wordt ondertussen afgeleid door het geluid van de televisie in de hoek van de lounge. Nog meer beelden over rampspoed. Er zijn branden in de grote steden van Amerika, in Parijs zijn er rellen en in New York hebben tientallen families gezamenlijk zelfmoord gepleegd. Jongeren vieren feest op straat tot ze erbij neervallen. Een gejaagde verslaggever zegt nog nooit zo’n wanorde te hebben meegemaakt. Mijn keel voelt droog aan. Er vallen doden bij die feesten. Mensen laten zich van wolkenkrabbers vallen of drinken zich dood. Zou Janneke ook naar zo’n feest gaan vanavond?           

“Ach, wat een idioten,” hoor ik Leonore naast me zeggen. “En dat allemaal vanwege die Mayavoorspelling.”

Maar daarom zijn jullie hier toch ook?” zeg ik.

“Welnee, lieverd. 21 December is de kortste nacht. Wij vieren de terugkomst van het licht. De winterzonnewende. Dat doen we al eeuwen. Er vergaat vannacht helemaal niets. Die arme mensen zijn niet in contact met zichzelf. Wij geloven dat deze winterzonnewende een heel bijzondere zal zijn en daarom willen we hier, in de kou, te midden van de elementen de nieuwe tijd welkom heten. Het licht zal terugkomen en een einde maken aan alle ellende op de wereld.”

“Ik geloof niet in het einde van de wereld,” zeg ik. “En ook niet in heksen, dus als je het niet erg vindt, ga ik zo…”

Waarom komen de tranen uitgerekend nu? Ik knipper met mijn ogen en slik een paar keer, maar het helpt niet. Drank, ik heb drank nodig. Om te vergeten.

“Ach liefje, wat is dit nu, is het nog zo vers?” Leonore pakt mijn hand en klopt er zachtjes op. Ik kan alleen maar ja knikken. “En toen kwam je hier om troost te vinden? Nou, dat is verstandig. Lieverd, wij zorgen voor je. Waar slaap je?”

“Ik heb niets geboekt, alles is vol.”

“Geen enkel probleem, je gaat gewoon met ons mee. Weet je, dat komt ons ook goed uit. Je hoeft je niet bezwaard te voelen. We zijn namelijk maar met zijn vijven.”

“Annie is niet meegegaan.”

Die verraadster.”

“Sylvie, dat zeg je niet.”

Leonore knijpt me in mijn wang en ik kijk haar recht aan. Haar lichtgrijze ogen sprankelen van vreugde. “Het probleem is dat we dat niet met vijf heksen kunnen doen. Vijf is niet deelbaar door drie. Maar als jij meedoet, zijn we een echte cirkel. Dan kan het ritueel gewoon doorgaan. Fantastisch toch? En voor jou is het een geweldige kans om je verdriet achter je te laten, om je ziel te zuiveren en een te worden met de moedergodin.”

Deze vrouwen zijn knettergek, denk ik, maar ik heb niet de kracht om met ze in discussie te gaan. Sylvie knielt voor me neer en pakt mijn handen. “Luister, blijf jij lekker hier zitten, dan verwachten we je voor zonsondergang op het strand. Huur een fiets en waai maar lekker uit. En dan kom je naar ons toe. Je herkent ons aan het enorme vuur dat we gaan maken. Wel doen hoor.”

Ik knik, maar denk er het mijne van. Ik hoor de vrouwen ruziën over mij. Als niet-ingewijde heks zou ik het ritueel maar verstoren, begrijp ik, maar Leonore en Sylvie zijn vastbesloten.

“Zonder haar gaat het niet door, willen jullie dat?” roept Leonore. “Ze is overduidelijk een zuster in nood. Ze heeft ons nodig en wij haar.” Als één staat de groep heksen op. Sylvie geeft me een zoen op mijn voorhoofd en dan zijn ze allemaal vertrokken.

Ik eet mijn bonbon op en verslik me in de zoete vulling. Hoestend zie ik mezelf dansend om een vuur op het strand, in een lange jurk met rinkelende sieraden. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Amusant idee. Vooral omdat het hem vreselijk zou ergeren.

Buiten merk ik dat de buien overgewaaid zijn. De lucht is helder, de wind is ijskoud. Een flink stuk fietsen door de duinen zal me oppeppen, weet ik. Ik haal een huurfiets op en ga op pad. Op weg naar de duinen lijkt het wel hoogzomer, zo druk is het. Ouders met kinderen, oude mensen met roedels honden, grote groepen joelende tieners zwieren van links naar rechts, zodat ik net zo alert moet zijn als in de zomervakantie.

Dan nadert een politiejeep met een megafoon. Ik stap af om het gevaarte voorbij te laten gaan en luister naar de boodschap die verwaait in de wind. Ik trek mijn capuchon van mijn hoofd en spits mijn oren. Blijkbaar is er een noodsituatie, want de krakende stem van de politie meldt dat de boot niet meer vaart. Meteen wordt de auto omsingeld door een horde boze toeristen. Een politieman met een vertrouwenwekkende snor stapt uit en maant iedereen tot stilte. Ik ga er snel bij staan. “Mensen, even luisteren. De minister-president heeft de noodtoestand uitgeroepen. Het is chaos in het hele land en al het openbaar vervoer is stilgelegd. Er rijden ook geen treinen en bussen meer. Tot nader bericht blijft iedereen waar hij is.”

“Maar we hebben geen slaapplek voor vannacht,” klinkt de schrille stem van een jonge moeder met een baby in een draagzak. Een geel mutsje steekt er nog net bovenuit. “Waar moeten we dan heen?”

“Er komen extra slaapplaatsen in de hotels en pensions op het eiland en er worden veldbedden in het dorpshuis neergezet. Wie geen slaapplek heeft, kan zich bij het dorpshuis melden, dan komt het allemaal goed.”

“Maar wat is er dan aan de hand? Toch niet die suffe voorspelling?” De vrouw kijkt de agent aan alsof hij persoonlijk verantwoordelijk is voor haar ongemak.

Hij knikt haar vaderlijk toe. “Mevrouw, blijkbaar geloven zoveel mensen dat de wereld vannacht vergaat, dat ze allemaal gek zijn geworden. Hier op het eiland zit u rustig, wees blij dat u niet in Amsterdam of Rotterdam bent.”

“Wat is daar gebeurd, toch niets ergs? Wij wonen in Amsterdam,” komt een bejaarde man tussenbeide. “Mijn God, we moeten de kinderen bellen.”

“Als het u lukt erdoor te komen,” gaat de agent verder. “U heeft er geen idee van wat voor toestanden er zijn op de vaste wal. Ik raad u aan snel terug te gaan naar uw logies en daar vannacht te blijven. Mensen, let nog even op. Er geldt voor vanavond een avondklok. Niemand meer de deur uit na acht uur, is dat begrepen?”

Ach, dat moest een streep door de rekening van de vrolijke heksenvriendinnen zijn. Niet dat ik van plan ben om echt met ze mee te gaan, maar toch. Het was een aantrekkelijke gedachte.

Ik laat de morrende groep achter me en fiets door naar het strand. Het begint al behoorlijk te schemeren, maar ik ken de weg goed. Het schelpenpad door de duinen ligt er stil bij. Herinneringen spoken door mijn hoofd. Hoe vaak hebben we vroeger niet met z’n drieën een nachtelijke tocht naar het strand gemaakt om naar de sterren te kijken? Janneke zingend in het zitje achterop. Bijna voel ik de warmte van de zomerzon op mijn gezicht en hoor ik haar gillen in de branding. Zie ik haar vol toewijding bouwen aan een zandkasteel aan de vloedlijn. Schelpen zoeken. Voorbij. Voorgoed voorbij.

Ik zet de fiets en loop het prachtige, brede strand op, waar wind en regen een bijna onaards schouwspel hebben gecreëerd van gerimpelde zandduintjes, exotische strandvondsten en stakerig helmgras. Ik loop door het rulle zand naar de branding, die op het strand beukt. Als ik het niet zo koud had, zou ik er zo in duiken. Maar daarvoor ben ik zelfs in mijn huidige apathische staat nog te verstandig. Ik lach hardop. Verstandig? Vlak voor kerst naar een eiland gaan zonder onderdak te boeken? Hoe gek kun je zijn?

Voor het eerst in weken voel ik weer leven in mijn lijf. Voel ik energie door mijn aderen razen. Hier kan ik die oude, verschrompelde ik van me afgooien. Hier kan ik opnieuw beginnen. Alsof ik weer twintig ben en met niemand rekening hoef te houden. Doodeng en spannend tegelijk. Ik kijk op naar de stampende zee. Hoe eenvoudig is het om de branding in te lopen, door te gaan totdat het tij me meevoert en het koude water me tot rust brengt? Wie zou me missen? Opnieuw beginnen. Hoe moet ik dat doen? En wil ik dat wel?

Langzaam loop ik langs de vloedlijn, links de zee, rechts het brede strand waar verschillende kampvuren oplaaien. Om een van de vuren zie ik spookachtige gestalten dansen met wapperende kleding. De heksen. Ik aarzel. Zal ik me toch bij hen aansluiten? Ze zijn een beetje vreemd, maar wel aardig. Ze leken me nodig te hebben. Zal ik? Dan zie ik dat ze met z’n zessen zijn. Blijkbaar hebben ze toch een medeheks gevonden om hun cirkel compleet te maken.

Een golf breekt over mijn voeten. Snel doe ik een paar stappen achteruit. Waarom nu dat gevoel van teleurstelling? Had ik verwacht dat ze op mij zouden wachten? Dat ze me echt nodig hadden? Wie heeft mij nodig? Niemand toch? Het was ook te mooi om waar te zijn. Een nacht zonder zorgen en verdriet pret maken op het strand. Dansen op de vulkaan terwijl de wereld om me heen vergaat. Wat kan mij het licht schelen? Mijn wereld is duister en daar zal de zonsopgang niets aan veranderen. Ik zet de pas erin.

Verder en verder. Het wordt steeds kouder. De sterren doven een voor een. De maan verdwijnt achter de wolken. Komt er dan toch weer regen? Of vergaat de wereld echt? Ik haal mijn schouders op en loop door. Langs aangespoeld wrakhout dat er net zo gebroken bij ligt als mijn bestaan. Water sijpelt door mijn schoenen en ik voel mijn tenen niet meer. Kan me niets schelen. Ik ga door en door. Ik struikel over een duintje en blijf met moeite op de been. De kou krijgt steeds meer vat op me.

Even blijf ik staan als ik mijn mobiel voel trillen. Weer een oproep van Janneke. Ik wil haar niet spreken en laat de telefoon vallen in het zand. Door moet ik, door.

Water. Ik ben te ver naar links afgeweken en sta in het zuigende zand waar de golven zich terugtrekken. In de verte hoor ik harde knallen. Vuurwerk? Ik blijf staan en kijk in de richting van het dorp. Een rode gloed van vuur. Nog meer vreugdevuren of brand? Ik draai me om en wil doorlopen, maar mijn voeten zuigen zich vast in het natte zand.

Dan ga ik zitten. De kou kruipt via mijn benen naar boven. Ik kijk naar de branding die kort oplicht in het ritme van de vuurtoren. Ik sla mijn armen om mijn benen heen en leg mijn hoofd op mijn knieën. De wereld is gek geworden en gaat ten onder aan zichzelf. Voor me zie ik alleen duisternis. Ik kijk liever niet vooruit naar een eenzaam bestaan zonder liefde. Zonder kind om voor te zorgen en een man om lief te hebben. Ik denk liever aan het licht dat achter me ligt. Aan de zomerse dagen hier op het strand. Aan het gelach van mijn kind, de warmte van de zon op mijn natte, zilte huid. De wind in mijn haren. Een arm om me heen. Ik sluit mijn ogen. Die wereld bestaat niet meer.

Uren, dagen, jaren gaan voorbij. Ik voel de kou niet meer. Mijn tranen zijn bevroren op mijn wangen. Dan een vreemde sensatie in mijn blote nek. IJskoude prikjes die me dwingen om op te kijken. Sneeuwkristallen dwarrelen om me heen als elfjes van licht. Ik steek een hand uit en een vlok smelt op mijn vinger. Een witte kerst op Schier. Kan het nog mooier?

In de verte hoor ik flarden van stemmen. Een zoeklicht strijkt over het strand. Laat me met rust, denk ik. Ik staar uit over de duistere golven. Hoe eenvoudig is het om de zee in te lopen. Verder en verder tot het tij me meetrekt. Ik merk nauwelijks dat ik ben opgestaan en tot mijn knieën in het water sta.

Dan zie ik een muur van water op me afkomen. Ik val achterover in het water en voel een ijskoude stroming. Nu niet meer denken, alleen maar drijven. Golven beuken over me heen en een wervelende waterkolk trekt me naar beneden. Ik open mijn mond om te gillen, maar het zoute water snoert me de mond. Mijn ogen prikken, mijn keel doet pijn, ik krijg geen lucht. Paniek. Dit wil ik niet. Ik zoek hard zand om me tegen af te zetten, maar ik weet niet waar onder en boven is.

De golf is voorbij en ik krabbel overeind. Te snel. Een nieuwe golf smijt me op mijn gezicht. Het tij is te sterk en sleurt me mee. Maar nu vecht ik terug. Ik weet opeens dat ik niet wil opgeven. Ik wil me niet laten meeslepen naar de diepte. Ik wil mijn kind zien. Ik wil leven. Ik wil licht, een nieuw kans.

“Mam, mam, ik ben hier.” Warme handen trekken me overeind. Janneke houdt me vast alsof ze me nooit meer wil laten gaan. “Ik heb de volgende boot genomen, ik heb zo’n spijt dat ik niet met je ben meegegaan. Ik heb je gebeld en gesms’t, maar je gaf geen antwoord.”

In het zoeklicht van de politieauto is het witte gezicht van mijn dochter nat van de tranen. Ik merk nauwelijks hoe de politieman met de snor een deken om me heen slaat en ons laat instappen. Op de achterbank omhelst Janneke me stevig. “Mam, ik ben zo blij dat ik je gevonden heb.”

“Maar hoe dan?” vraag ik. “Hoe wist je waar ik was?”

Janneke wijst naar de vrouw voor in de jeep. “Ik was bij de politie toen zij belde. Ze zag je lopen en maakte zich zorgen.”

Dan pas herken ik Sylvie. Ze buigt naar achteren en fluistert me iets in mijn oor. “Welkom terug, welkom in het licht.”

Regenkrullen

Rode wangen, regenkrullen,
geborgen in een warme omhelzing.
Je zwaait naar ieder raam.
Later knelt die warmte
als een wollen sjaal strak om je nek.
Maar nu nog niet.

Vragende ogen, nieuwsgierig
naar voorbij de horizon.
Stadse fratsen, zegt opa later,
je regenkrullen hennarood
omdat je snakt naar adem.
Maar nu nog niet.