Hoe Leegland ooit begon

Vandaag is het niet alleen mijn verjaardag, maar is het ook alweer elf jaar geleden dat ik na de schrijfmarathon van 2015 een eerste versie van Het Verlaten Land, zoals Leegland toen nog heette, voltooide. En natuurlijk heb ik die tekst nog.

Grappig om het oorspronkelijke eerste hoofdstuk terug te lezen. Een deel ervan heeft de verschillende redactierondes overleefd, maar het meeste niet. Zo gaat dat. Toch vind ik het best een fijn begin, maar de details kloppen inderdaad niet meer.

Janina!

Overigens heb ik na deze eerste versie het hele manuscript lang in de la laten liggen. Ik werd namelijk gevraagd om samen met Jeannette van Ditzhuijzen een manuscript te schrijven dat in 2016 uitkwam met de titel Ren, Janina, ren! Een roman waarin we het waargebeurde verhaal hebben verteld van Janina Katz, een tienjarig Joods meisje dat in de Tweede Wereldoorlog opgroeit in Polen en na de komst van de nazi’s er helemaal alleen voor komt te staan.

Door met Leegland, Zonderland en Anderland

Nadat het Janina-boek was uitgekomen, ben ik weer doorgegaan met Het Verlaten Land, maar pas in 2020 durfde ik het aan om het manuscript te laten lezen door uitgever Anton Scheepstra. Lang verhaal kort: we gingen in lockdown, de tijden waren onzeker, maar Leegland kwam er toch: in de winter van 2020. En daarna volgden Zonderland en Anderland.

Het oerbegin

Terugkijkend naar het begin van dat oerdocument ben ik nog steeds blij dat ik heb doorgezet. En voor de mensen die Leegland al hebben gelezen is dit weer een leuk stukje over Julius en Eva (die toen nog Julia heette).

Hoofdstuk 1 Eindstation

De banden van de rugzak sneden in zijn schouderbladen. Hoeveel rotzooi had Julia erin gestopt? Julius voelde hoe ze zijn arm nog steeds stevig vast hield, alsof ze hem nooit zou laten gaan. Hij keek opzij en zag tranen in haar ogen staan. Ogen die de zijne spiegelden. Net als haar lippen, de vorm van haar neus en de altijd wat verbaasde wenkbrauwen. Alleen de kastanjekleurige krullen die ze in een streng staartje in haar nek had gebonden leken niet op de zijne. Niet meer, sinds ze gisteravond de schaar in zijn haar had gezet en het met bleekmiddel had bewerkt.

Om hen heen strompelden mensen met zware koffers langs de coupés op zoek naar een zitplaats. Bij alle uitgangen van het perron stonden soldaten op wacht. Grimmige silhouetten van mannen en vrouwen, onherkenbaar door hun gesloten helmen en zwarte uniformen. Af en toe probeerde iemand een soldaat over te halen om hem erdoor te laten, maar dat lukte nooit. Wie hier op de trein stond te wachten kon niet meer terug. 

Behalve Julia. Fantastische Julia die alles voor elkaar kreeg. Zij had een bezoekerspas geregeld zodat ze hem weg kon brengen. Haar zouden die soldaten straks wel doorlaten op weg naar buiten, naar huis. Naar hun ouders die ze zou uitleggen dat de zoon die alleen maar ellende en ongemak had veroorzaakt voorgoed uit hun leven was. Ze konden gerust zijn. Hun zoon bestond niet meer. 

“Luister je wel?” Julia pakte hem bij zijn kin. “Alles is geregeld. Probeer zo snel mogelijk weg te komen, in ieder geval voor de trein bij Fort Zwolle is.”

Onwillekeurig rilde hij. Fort Zwolle. Het einde van de wereld. Waar ongewenste, staatsgevaarlijke types als hij naartoe gingen om nooit meer gezien te worden. Hij knikte. “Wegkomen. Check. Maar hoe dan?”

“Ik zei toch dat ik alles geregeld heb? Zodra je kunt, ga je ervandoor. Die kans komt. Daar heb ik voor gezorgd. Zorg jij nu maar dat je uit handen van de GPD blijft.”

Hij wilde honderd vragen stellen, over wat ze dan geregeld had. Hoe het kon dat ze zoveel wist over de geheime politie, maar hij deed het niet. Julia was altijd sterker geweest dan hij. Slimmer, handiger, de betere helft van een tweeling die eigenlijk een eenling had moeten zijn. Het had geen zin om te vragen wat ze bedoelde. Had hij maar eerder naar haar geluisterd. Had hij maar zijn grote mond gehouden. Ze zette haar eigen leven op het spel door hem te helpen. In een opwelling omhelsde haar en snoof nog een keer haar geur op. De geur die hem net zo vertrouwd was als zijn eigen lijf.

“Het is goed, Julia, ik doe wat je zegt. En hopelijk zien we elkaar snel terug.”

“Nee.” Ze duwde hem weg. “Snap je nu nog niet hoe groot het gevaar is? Je mag nooit terugkomen. Niemand mag weten waar je bent. Sukkel! Je gaat er vandoor en dan loop je zo ver je kunt richting het noorden. Je moet zien dat je alleen overleeft in het Verlaten Land. En je mag niet terug komen. Beloof je dat? Pas als ik je kom halen.”

“Als dat ooit gebeurt.” Hij liet zijn hoofd hangen. Het was alsof het nu pas tot hem doordrong dat dit afscheid wel eens voor altijd kon zijn.

“Je houdt je gedeisd,” ratelde Julia door. “Als ze je te pakken krijgen, dan is alles verloren. Dan…”

Ze hoefde het niet te zeggen. Dat wist hij zelf ook wel. Haar ogen werden vochtig. “Mijn lieve, lieve, briljante broertje, wat ben je toch een uilskuiken. Snel nu, ga de trein in. Zie je die drie mannen daar? Die zorgen dat je niet opvalt.” Ze duwde hem in de coupé in het midden van de trein en knikte een breedgeschouderde man in het uniform van de Staatstreinen toe. “Hier, geef hem dit, snel zonder dat iemand het ziet. Nou, dag, het ga je goed.”

Ze duwde hem een kleine envelop in zijn handen. Voor hij iets kon zeggen was ze weg. Verdwenen tussen de drommen op het perron. Hij wilde haar iets naroepen, iets zeggen, iets doen om het afscheid te markeren, maar een zware hand trok hem verder de trein in. Onhandig frommelde Julius de envelop in de hand van de man voor hem. Die liet het behendig verdwijnen en sleurde hem aan zijn arm mee door de trein heen. Zijn twee kompanen liepen achter hen aan. Links en rechts weken mensen uit, niemand die een hand naar hem uitstak. Julius slikte. Julia had het hem de avond ervoor ingeprent. Vertrouw niemand, reken op niemand, alleen op je zelf. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Wie had hem overgelaten aan die gorilla en zijn vrienden? 

Eigenlijk was hij niet eens verbaasd toen de eerste klappen vielen. “Je ziet er veel te netjes uit voor een statenloze lummel,” fluisterde de voorste man hem toe, terwijl hij hem in zijn maag stompte. “Zorg dat hij niet opvalt, vroeg je lieve zusje me. Dat gaan we regelen.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.